Impressie van een cursist: Op schoot bij de kerkvaders

Je moet wel gek zijn om als postmoderne wereldse ‘leek’, na een volle werkweek,  negen (soms zonnige) zaterdagen op te offeren aan zoiets als ‘Kerkvaders’. Het woord alleen schrikt al af: voor een beginneling of bekeerling als ik klinkt het oud, achterhaald, patriarchaal, voer voor seminaristen, zwaar-kerkelijken en navelstaarders, kortom: niet ‘bij de tijd’, een speeltuin voor groepjes die zich willen koesteren in het heimwee van een louter kerkelijke Kerk, met wereldvreemde theologieën en cerebrale discussies.

Dat had het kunnen zijn, maar het is heel wat anders geworden: een boeiende tocht met heel diverse en deskundige vertellers en getuigen, en met Joris als vaste gids, een entheousiaste gouden gids uit de Goudensterstraat. Ik vermoed dat daar inderdaad een klein gouden sterretje is blijven stille staan.

Ik ontken niet dat het soms wel ‘moeilijk’ was voor mijn beperkt begripsvermogen, soms wat veel ineens en dan moest ik naar wat adem – en soms naar wat roeach – happen. Sommige lessen waren echte  ‘lessen’, en dat was lang geleden. Maar je moet er iets voor over hebben, niet ?

De 40 ontspannen deelnemers, van heel divers allooi, maakten het geheel wat lichter, minder zwaar op de hand, en dank zij het gastvrije ‘ontvangstcomité’ voelde iedereen zich een beetje thuis. Het leerhuis werd een leefhuis.

Tijdens het gezamenlijk middaggebed, met zang en psalmen in de stemmige kapel, en geleid door broeder Johannes, kwam ik altijd weer tot rust, tot God, mijn ankerplaats, mijn dragende grond. Dat was telkens weer thuiskomen !

Ik som nog even de thema’s op, onmogelijk samen te vatten, maar de lezer moet toch enig idee krijgen welk stevig brood wij daar op ons bord kregen. Ik blijf bij enkele daarvan eventjes ‘hangen’, omdat ze dieper zijn blijven nazinderen en mijn verder God-zoeken ongetwijfeld nog zullen inspireren.

De eerste lesdag droeg een titel als een klok: “Spreken en zwijgen over God”. Reeds in het voorbijbelse monotheïsme school de paradox van de transcendente Allerhoogste, maar in het jodendom, een godsdienst van het woord, wordt deze paradox nog pregnanter: spreken over de wondere daden van God en toch niets  definitiefs over Hem kunnen zeggen, of: katafatisch en apofatisch spreken over God.

Ook de Griekse en joods-griekse voor- en tijdgenoten van Jezus en de eerst kerk, zoals Plato, Philo van Alexandrië en Plotinus verkennen dit spanningsveld. Besluit: we kunnen weten dàt God is, maar niet wàt Hij is. Er is ruimte voor het mysterie, er is mystieke kennis mogelijk.

In het christendom wordt het apofatisch spreken uitgedaagd door de niet-te-miskennen Menswording: als dat geen zelfbekendmaking is ! Toch blijft God God, we kennen en hebben deel aan zijn werken, maar zijn wezen blijft onkenbaar, over Hem kan je alleen in hyper-termen spreken (Pseudo-Dionysius de Areopagiet).

Meteen tijdens de tweede lesdag doken we in het mysterie van de H. Drie-Eenheid bij de Cappadocische kerkvaders (Basilius, Gregorius van Nazianze en Gregorius van Nyssa) en bij Augustinus. Bij wijlen leek dit mij louter theologentaal, ver van mijn bed, maar daar doorheen werd mij toch duidelijk dat ook zij worstelden met hun beperkte middelen om uitdrukking te geven aan hun geloof dat God geen abstractie, maar een persoonlijke God is. Van de grote Augustinus kregen we daarbij nog een andere kant te zien, zijn vermogen om nederig te blijven, zoals in zijn gebed: ‘Ik vraag U en de uwen mij te vergeven, als ik iets gezegd heb wat van mijzelf komt.’

Dat dit een mysterie is, ook voor de huidige Kerk en ons leven, hebben we verder in de derde lesdag quasi aan den lijve mogen ondervinden toen ousia, hypostasis, prosôpon, perichorese en vooral Zizioulas op tafel werden gelegd. Even leek het er op dat het Mysterie van de H. Drie-Eenheid een echt raadsel zou gaan worden, maar als je die begrippen uitgelegd krijgt, voel je toch wat meer rust en helderheid komen, en als je dan teruggeleid wordt naar de boodschap:

‘Elk gebed is ontvangen van het Woord’

ben je weer  thuisgekomen. Oef.

Een volgend bijzonder wezenlijk mysterie voor de Kerkvaders kwam op de vierde lesdag aan bod: dat van Gods zelfmededeling in de schepping van tijd en ruimte. Één deelneemster heeft deze lesdag om een bijzondere reden moeten missen wegens ‘hoogzwanger’. Barbara was er vanaf de volgende keer terug bij, samen met hààr deelname aan de schepping, een uitzonderlijk rustige, vredige baby, die mij even de nochtans boeiende uiteenzettingen van Dom Michel Van Parys en Joris hebben doen vergeten. Zij hadden het over de verhouding van God en de Schepping, en lieten o.a. Johannes Chrysostomos en Origines aan het woord.

Voor wie er niet genoeg van kreeg was er de vijfde lesdag waarin Origines (opnieuw) en Ireneüs van Lyon verder uit hun isolement werden gehaald en een duidelijker profiel kregen dan ‘ik heb er al eens van gehoord’, een schat aan invalshoeken en inzichten. Gelukkig kregen we altijd omvangrijk lesmateriaal, zodat we onze nadorst kunnen blijven lessen.

Alleszins één der hoogtepunten was de zesde lesdag met Kees van Biesen over Efrem de Syriër. De dag verliep rustiger dan anders: een (bijzonder geïnspireerde) spreker, die niet zozeer op kennisoverdracht gericht is, maar je ook iets laat ‘beleven’ en daar een ganse dag de tijd voor krijgt. Efrem is een vertegenwoordiger van het antieke semitische christendom, een man die denkt en spreekt in paradoxen wegens de volslagen onkenbaarheid van Gods wezen. Het is niet omdat de mens door de Allerhoogste, God, wordt geschapen, dan hij klein en nietig is, iets wat in moderne oren goed begrepen wordt.

Als de Schepper dus groter is

Hoe wil dan het schepsel dat Hij schiep

Zich uitstrekken tot zijn kennis ?

Van de andere kant: verwonderlijk is alles wat Hij schiep

Daar de Schepper groot is, zijn al zijn schepselen lofwaardig

Gods onkenbaarheid wordt door Efrem echter subliem tegenover een andere paradoxale waarheid geplaatst: op onbegrijpelijke wijze overbrugt God zelf de afgrond die Hem van de mens scheidt. Schepping en openbaring zijn twee aspecten van één goddelijk plan: de wereld werd geschapen juist met het oog op de zelfopenbaring Gods. Efrem roept een (symbolische) ruimte op waarin God aanwezig wordt: de  begrenzing roept het onbegrensde op. Mystiek is niet opgaan in het onbegrensde: hoe meer ‘mens’ wij worden hoe meer God kan binnenkomen. Niet te verwonderen dat Efrem zijn toevlucht zoekt tot analogische poëzie: beter dan een rationele en nauwkeurige taal, beantwoordt ze aan de natuur zelf van de openbaring en van de christelijke levenservaring. Wij kijken uit naar een nieuw boek van Kees van Biesen over Efrem.

De zevende dag was alleszins geen rustdag. Terug ijverig en aandachtig onderduiken in de Latijnse Vaders zoals Ambrosius en Augustinus en hun allegorische exegese, zowel van het Eerste als van het Nieuwe Testament. Dit keer werden we door Kris De Brabander ook verwend met een erg mooie, geïllustreerde documentatietekst, een ‘hint’ om ons overwegend rationeel spreken wat open te breken ?

Abt Manu Van Hecke leidde ons in de lectio van de Schrift in tijdens de achtste lesdag, beginnend met een heerlijk woord van Dom André Louf:

“Woorden uit de Schrift zijn er niet op de eerste plaats om verstandelijk overwogen te worden. Ze zijn er om ons te kwetsen en ons binnenste open te gooien.”

We werden door abt Manu op een bijzonder getuigende manier ingewijd in het lezen met het hart: de lezing, de overweging, het gebed en het schouwen, zoals Guigo de kartuizer het ooit begreep en zoals Enzo Bianchi ons vandaag daartoe aanmoedigt. Het was een voorrecht om het monastieke ‘lezen’ zo authentiek en dichtbij te mogen proeven. Abt Manu’s verhaal was een beetje van een andere orde dan alle andere ‘lessen’, voor mij stond het dicht bij ons middaggebed. Vanuit een andere invalshoek slaagde Lode Aerts er vervolgens in om een brug te slaan tussen Augustinus’ existentiële lezing van de Schrift en het moderne zoeken naar de actuele betekenis van Gods Woord.

Vanzelfsprekend was het Joris zelf die in de negende lesdag de grote boog over de ganse lessenreeks wist te trekken op zijn gekende begeesterende manier, onmogelijk na te schrijven in enkele zinnen. Hij voerde ons terug naar het Christusmysterie zoals het in de Kerk tot verstaan werd gebracht. Alweer een rijk gevulde lesdag, geen uitloper van de reeks, geen aankomst, maar een doorstart.

Ik ben blij dat ik mij tot deze, toch wel intensieve, lesdagenreeks heb laten verleiden. Een gevoel van dankbaarheid overheerst, en van nieuwe bezieling.

Elke dag werd afgesloten om 15u, en dat was goed want mijn maat was vol, overvol.

Ik heb één iets gemist: een vrouwelijke inbreng. Alle sprekers en uiteraard alle Kerkvaders waren mannen, en ook uw verslaggever. Ik vraag mij af hoe het geweest zou zijn met enkele vrouwen erbij, maar ik troost mij met de vaststelling dat onze mannen hier en daar toch een vrouwelijke toets bespeelden, een vrouwelijk licht lieten schijnen. En misschien was het lied waarmee elke lesdag werd ingezet al vrouwelijker dan we konden bevroeden, de ‘Aanroeping van de H. Geest’ :

Hemelse Koning, Trooster, Geest van waarheid,

die alom tegenwoordig zijt en het heelal vervult,

schat van alle goed en schenker van het leven,

kom en woon in ons, zuiver ons van alle smet,

en red, o goede, onze zielen.

Reageer