Impressie van een cursist: Op schoot bij de kerkvaders

Kerkvaders, vandaag bestudeerd, maken toekomst open

Lia Lagae

Wat ons, christenen, het meest ter harte gaat is de vraag hoe te geloven, hoe ontvankelijk te worden voor het mysterie van Gods nabijheid in Christus. Daarom wilden we vijf jaar geleden zo graag in de leer gaan bij inspirerende, creatieve schrijvers en geestelijke begeleiders onder onze verre voorouders.

In onze dikke, degelijke syllabi en notities snuisterend, overlopend wat er ons in het Leerhuis van de Kerkvaders is te beurt gevallen, geraakte ik versteld en vervuld van vreugde over het rijke en verdiepende aanbod van deze spirituele persoonlijkheden uit de bronperiode, toen het christendom nog ongedeeld was. Verbaasd blijf ik over de Kerk hoe die in overleg tijdens de eerste zeven oecumenische concilies, uitgedaagd en verdedigend, gaandeweg in staat werd de gepaste bewoordingen te vinden. Stilaan kon ze in haar leer aan alle elementen een evenwichtige plaats toekennen.

De Kerkvaders leerden ons leven van verwondering. God, Vader, Zoon en Geest. Eén en onderscheiden! Wonder van wederzijds beamen en wederzijdse doordringing. De grondintuïtie van de Vaders is dat die leer ontsproot uit het leven en het bidden van de Kerk zelf, uit de ervaringen van de christenen. De Vader – Schepper draagt en onderhoudt ons. Dit leven, deze aarde, de tijd, de geschiedenis: het is van Gods genade. Christus, het Liefde – Woord van de Vader naar ons, mensen, toe begon met het eerste scheppingswoord en werd voltooid in uiterste nabijheid in de Kruisdood en Verrijzenis. De Geest in Hem heiligt ons in een niet te stuiten beminnelijke tegemoetkoming. De Liefde is de mysterieuze kern van dit trinitaire Leven. Maximus de Belijder (7de eeuw) drukt het als volgt uit “Die Liefde is essentieel beweging, exodus, uittocht naar de Ander, ter wille van de Ander.” Aan de uiteindelijke voltrekking van dit Liefdesinitiatief meewerken, dat is voor ons, christenen, onze hoogste bestemming en hoop.

Aantrekkelijk in het christendom is dat het hymnische, het poëtische er altijd is geweest. Wat bv. te denken van Efrem de Syriër in de 4de eeuw? Over Maria, de Moeder Gods, schreef hij aldus:

“Ik stond versteld over Maria’s schoot, dat die in staat was, Heer, U te omvatten. Heel de schepping was te klein om uw majesteit te omhullen, aarde en hemel te nauw om als vleugels te zijn die uw godheid bedekken. De schoot der aarde is u te klein, maar Maria’s schoot is u voldoende.”

Of van Petrus Chrysologus, bisschop van Ravenna, in de 5de eeuw? Hij schreef over de wonderbaarlijke ruil bij de Menswording:

“De wijzen overwegen wat zij bij de kribbe zien met stomme verbazing: op aarde zien zij de hemel, in de hemel de aarde, in God een mens, in een mens God; te groot voor het heelal, maar omsloten in dit kleine lichaam.”

Het belang van de exegese van de verhalen uit de H. Schrift hoeft geen betoog. Ireneüs van Lyon in de 2de eeuw en Origenes in de 3de konden zich reeds geen vruchtbaar theologisch werk voorstellen dat niet gefundeerd zou zijn op de kennis van en de bezinning op de Schrift. Met het hart het Bijbelboek én ons levensboek samen lezen leert ons stapsgewijze de ‘Lectio divina’. Deze werd veel later aan ons voorgesteld door Guigo II, prior van de Grande Chartreuse, in het begin van de 12de eeuw. Ze mondt uit in gebed, herinnering en uiteindelijk in de praktijk van het concrete leven.

De H. Schrift wordt vooral weer levend in de liturgie. Zij omspant het brede veld van de sacramenten. De structuur van onze woorddiensten heeft trouwens Joodse wortels: luisteren naar de lezingen, overwegen bij de homilie, antwoorden in lofprijzing, dankzegging en smeekgebed. Het Leerhuis verduidelijkte, ook in de praktijk, hoe wezenlijk de liturgie is om het geloof te voeden. We werden de vormende kracht gewaar van bv. het getijdengebed met z’n hymnen en psalmen. Hun schoonheid en wijsheid spreken ons aan.

Ook de zondag als wekelijks Paasfeest kreeg een nieuwe glans: de eucharistie op de 8ste dag, die begint in de tijd, maar binnen leidt in tijdloosheid. Zij kan de tijd transfigureren, er een nieuwe kwaliteit aan geven. Het nu leerden we zien als een goddelijk moment, een kairos. In het Gloria, Alleluia en Sanctus verenigen we ons immers telkens weer met het koor van de engelen die God verheerlijken. In de 4de eeuw schreef Basilius van Caesarea aan Gregorius van Nazianze: “Wat is er mooier in dit leven dan de koren der engelen na te volgen en vanaf de aanvang van de dag de Schepper te begroeten met hymnen en lofzangen.” De onzichtbare wereld weerspiegeld in de onze..

Tijdens onze pelgrimsreis deze lente bezochten we in de Benedictijnenabdij van Mariënberg in Zuid – Tirol de crypte met haar schitterende engelenfresco’s in onvergetelijke kleuren, helblauw, zacht groen en prachtige tinten van bruin. Diezelfde reis bracht ons ook rond Bisschop Ambrosius’ doopcatechese en –ritueel in verscheidene baptisteria, waaronder de resten van één onder de dom van Milaan, waarin Augustinus door hem gedoopt werd in 387. Getroffen werd ik eveneens door wat Basilius schreef over zijn doopervaring: “Voor mij is het doopsel het begin geweest van nieuw leven en dus brachten de belangrijke woorden die daarbij uitgesproken werden me licht, kennis en maakten ze me tot Gods kind.” Een sprekend voorbeeld van het bekende adagium uit het midden van de 5de eeuw ‘lex orandi, lex credendi’.

Niet alleen door woorden werden we in het Leerhuis gesterkt, ook door beelden. We ondervonden dat de iconen een stuwende dimensie zijn van het christelijk geloof. Destijds, ca 700, moest Johannes van Damascus het beeldverbod van de iconoclasten, die beducht waren voor afgodendienst, weerleggen. Hij toonde helder aan dat beelden, ook door mensen gemaakt, een vorm kunnen zijn van het komen van God naar ons toe, beelden die herinneren wat Hij voor ons en in ons doet.

Het is een iconenschilder die aan de wieg stond van het Leerhuis. Onze christelijke horizon werd er aanzienlijk verruimd. Egyptische, Griekse, Cappadocische, Syrische, Latijnse Kerk- en monnikenvaders hebben er ons als leerlingen naar zich toegetrokken. Ze waren, ze zijn ook vandaag richtingwijzers en zullen dat in de toekomst ongetwijfeld blijven. Voorbeeldig bewaakten ze het hart in hun liefde – antwoord op de liefdegave van hun Heer. Ze waren veel minder individu dan persoon, uniek, doch radicaal open op communio. Ze werden zacht, doordringbaar voor de wereld en haar vele noden. Ze beoefenden met vallen en opstaan de ascese om vrij te komen van gehechtheden en neigingen. Hun rouwmoed, berouw en tranen werden gewekt door de smaak van de Godsliefde. Zij voelden hun nietigheid in ontferming omarmd. In de 7de eeuw schreef Isaak de Syriër: “Als een handvol zandkorrels in de oceaan vallen onze fouten, in vergelijking met Gods barmhartigheid.”

In 2007 hield hier in Gent een hedendaagse Vader, Dom André Louf ocso, vriend van het Leerhuis, in de orthodoxe parochie van de H. Andreas een zeer gewaardeerde toespraak over deze Isaak. Vorige zomer, op 12 juli 2010, overleed deze beminnelijke monnik. Pater Benoît Standaert schreef toen voor hem een indrukwekkend in memoriam: “Dom André was een lichtbaken voor ontelbaren. Hij was een zoeker die zoekers bemoedigde. Hij drukte ons op het hart minder te verwachten van eigen inspanningen dan van Gods Liefde die eerst is.” Zo loopt de geschiedenis van de Vaders verder.

Tot slot wil ik graag en met heel mijn hart dank betuigen aan de initiatiefnemers van dit Leerhuis, ook aan alle betrokkenen, lesgevers, onthalers, reisbegeleiders, voorgangers en –zangers en medestudenten. Het huis in de Goudensterstraat is zonder enige tijfel een plaats van vitaal, christelijk leven binnen onze kerk, bescheiden, belijdend, waarachtig en open. We vonden er vastheid en konden er Gods Schoonheid smaken. Hongerig en dorstig werden we om te verstaan. We leerden Augustinus’ woorden begrijpen: “Ama ut videas!”

In mei werden de lessen verrassend afgesloten met een bezoek van onze bisschop. Ook hij zag dat het goed was geweest. Als aandenken deelde hij bijzonder verzorgde getuigschriften uit, opnieuw met een citaat van de H. Augustinus: “Het wordt me zoet, Heer, aan u te belijden met welke innerlijke prikkels Gij mij gedwee hebt gemaakt en hoe Gij mij vermurwd hebt door de bergen en heuvels van mijn gedachten nederig te maken.” (Belijdenissen IX,4,7). Met deze woorden gaat voor ons de toekomst open.

Lia Lagae

Geef een reactie

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log Out / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log Out / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log Out / Bijwerken )

Verbinden met %s

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.